De eerste dag zijn we, achteraf gezien, vooral ‘op weg’ geweest.
’s Morgens wilden we vooral zo snel mogelijk in Bil’in geraken, en dat ging eigenlijk nog redelijk vlot. Op het AIC hadden ze ons de dag ervoor gezegd dat we eerst naar Ramallah moesten gaan, “en het daar maar moesten vragen”. En zo gezegd, zo gedaan.
We verschieten er eerst nog van hoe makkelijk we met het (arabische) openbare vervoer door de checkpoints en in Ramallah geraken. Al zijn de controles uiteraard vooral lastig in de andere richting. In Ramallah is het geen enkel probleem om iemand te vinden die ons naar Bil’in wil brengen. De man spreekt nochtans geen enkel woord Engels.
Aangekomen in Bil’in is alles echter verdacht rustig. De man zet ons af aan de Moskee, centraal gelegen in het dorpje met … 10 huizen. De beweging op straat beperkt zich tot enkele spelende kinderen en een vrouw die cactusvruchten verkoopt. Het succes van de actie durft dus nogal sterk te varieren, kijk maar hoe het vorige week was: Bil’in op youtube
In het hele dorp vinden we overigens niemand die Engels spreekt, dus neem ik het vooral mezelf kwalijk dat ik geen Arabisch kan. Ik neem me voor om me in te schrijven voor een cursus.
Nadat we een uurtje hebben rondgeslenterd en enkele pogingen hebben ondernomen toch enige informatie uit te wisselen met de mensen die we tegenkomen, geven we het dan maar gewoon op. We houden een busje tegen en rijden terug naar Ramallah. Ik had iets meer verwacht van onze eerste dag als ‘vredesactivisten’.
In Ramallah eten we wat en in het restaurant kunnen we even bekomen van de verzengende hitte.
Ramallah is de enige stad die we tot nu hebben bezocht, die drukker is geworden dan vorige keer. In Israel zijn minder toeristen, maar op de west bank trekt iedereen blijkbaar weg. Maar met “wegtrekken” wordt hier niet bedoeld “naar het buitenland”, zoals de Joden hopen, maar dus naar Ramallah. Zo loopt bijvoorbeeld Nablus naar het schijnt leeg, omdat het nog steeds volledig omsingeld is, en er bijna elke nacht nog wordt gevochten. Het minder streng gecontroleerde en minder fel belegerde Ramallah daarentegen is erg in trek bij de Palestijnen tegenwoordig.
Vanuit Ramallah nemen we het openbaar vervoer naar Betlehem. Als je het op een kaart bekijkt, loopt er eigenlijk een perfecte ‘autostrade’, nagenoeg een rechte lijn, door Jeruzalem, van de ene naar de andere stad. Er is echter een probleempje: op je weg van Noord naar Zuid kom je enkele keren de beruchte muur tegen.
Als je overal gewoon zou kunnen doorrijden, zou dit maar een twintigtal minuutjes duren. Als je als Israeli dezelfde afstand aflegt van West naar Oost, bijvoorbeeld van West-Jeruzalem naar de kolonie Ma’ale adumim, duurt dit ook maar zo lang. Maar voor de Palestijnen ligt dit een ietsje anders.
Veel van de “Israelische” wegen zijn verboden terrein voor de Palestijnen. “Israelische” tussen aanhalingstekens, want deze wegen liggen dus wel op Palestijns grondgebied. Af en toe is er een ’stukje’ dat ‘onder voorwaarden’ en ‘beperkt’ mag gebruikt worden. Meestal omdat het gewoon niet anders kan, maar het is wel de bedoeling om in de toekomst de wegennetten volledig te scheiden. De werken hiervoor zijn reeds volop aan de gang.
Het Palestijnse busje waar we inzitten sleept zich voort op de slechte Palestijnse weggetjes, slalomt tussen kolonies en verboden wegen, tussen prikkeldraad en muur. Plots rijden we Abu Dis binnen, en even denk ik dat we de verkeerde bus hebben genomen. Ik kan namelijk geen enkele reden bedenken waarom een bus die van Ramallah naar Betlehem moet, langs Abu Dis zou rijden. Later, als ik onze reisweg probeer te reconstrueren op een gedetailleerde kaart, begrijp ik echter dat dit tegenwoordig de enige mogelijke weg is.
Onderweg passeren we ook enkele checkpoints. We worden uiteindelijk nergens gecontroleerd, en slechts een keer moeten we even wachten in een rij, omdat er voor ons enkele andere auto’s aan een controle worden onderworpen. Al bij al hebben we daar dus wel geluk mee.
Niettemin duurt het meer dan twee (2!!!) uur om Betlehem te bereiken. Iets dat dus eigenlijk op twintig minuutjes had moeten kunnen. Een doctor die we ontmoetten noemde dit “een van de doorgedreven pesterijtjes van de Israeli”. Je zou kunnen stellen dat we ons inderdaad een beetje ‘gepest’ voelden, toen we uitgeput en uitgedroogd aankwamen in het geboortedorp van onze lieve heer. Geen van ons beide had toen nog veel zin in de terugreis naar Jeruzalem die ons nog te wachten stond.