Thailand.
19 september 2006.
Geland vanuit België om 16u, de bus op en recht de spits in. Het duurt lang eer we Kao San Road bereiken, en het is al donker als ik er aankom. Kao San Road is dé toeristische buurt van Bangkok. Zowat alle hotels en guest houses bevinden zich hier, en het stikt hier van de restaurants, pubs en souvenirwinkeltjes. De buurt overvalt me een beetje. Ik wandel wat doelloos rond om aan de sfeer te wennen, maar dat lukt niet echt. Toch maar vlug een hotelletje zoeken dan.Na wat zoeken, wat afwegen en wat afbieden vind ik toch iets waar ik mee kan leven. Ik eet nog wat op straat, en zit dan beneden in het hotel even te bekomen met een drankje. Het is nog maar negen uur, maar ik ben van plan om dadelijk te gaan slapen. Er staat een T.V. te spelen, afgestemd op CNN.
Plots ‘Breaking News!’ Er rijden tanks rond in de straten van Bangkok! Niemand weet wat er gaande is, maar waarschijnlijk gaat het om een militaire coup. Lap! Het moet weer lukken! Ik ben hier nog maar een paar uren, en het spel zit al op de wagen!Het wordt muisstil. De Thaise mensen van het hotel kijken een beetje paniekerig naar elkaar. Alle toeristen kluisteren zich aan het televisietoestel. Althans, toch voor eventjes. Het duurt niet lang of alle posten worden uit de ether genomen. Het enige kanaal dat nog wordt uitgezonden, is een Thaise post waar enkel hymnes voor de koning op te horen zijn. Ik probeer met het weinige dat ik weet de situatie in te schatten, en kom tot de conclusie dat ik gewoon té weinig weet om dat te kunnen. Ik zit in een vreemd land op het moment dat er een coup wordt gepleegd, en zit vast in mijn hotel zonder van iets af te weten.
Met alle toeristen, maar niet met den deze! Ik grabbel mijn camera en loop de straat op. Alle andere toeristen proberen blijkbaar zo snel mogelijk in hun hotel te geraken. Alle winkeltjes, kraampjes, cafés en restaurants zijn aan het sluiten.Ik spreek een gast aan met een taximoto: “Weet jij waar de tanks zijn?” “Wat wil je, meneer? Sex?” Hij heeft me blijkbaar niet zo goed begrepen.Ik probeer het uit te leggen met handen en voeten. Als hij het eindelijk snapt is zijn reactie wel heel eerlijk: “ZOT!” Ik probeer bij nog een paar andere, maar de naar ’t schijnt nochtans zeer behulpzame Thai zijn niet echt geneigd me te helpen. Het duurt een tijdje om iemand te vinden die het wel ziet zitten. Het gastje geeft overigens toe doodsbang te zijn, en zegt me twee straten verder af te zullen zetten.
Een paar straten verwijderd van het parlement, is de straat reeds afgezet, maar er zijn geen soldaten of tanks te zien. De taximoto zet me af, wenst me heel veel succes en maakt zich dan snel uit de voeten. Ik wandel rustig voorbij de wegversperring.In de verte, op het volgende kruispunt, zie ik een tank staan. Er staan ook nog een paar soldaten rond, en er zit er eentje bovenop. Er staan ook nog drie Thaise toeschouwers, maar die zien er niet zo OK uit. Ik wandel dus naar de andere kant van de straat.
Op het kruispunt is voor de rest niet zo veel te zien. Deze mannen bewaken duidelijk een brug (een andere baan van het kruispunt) die naar het parlement leidt. Ik twijfel even om een praatje te gaan maken met de militairen, maar kan niet inschatten hoe ze zullen reageren. Ik besluit hen alvast eens te testen door een foto te trekken, om te zien hoe ze daarop reageren. Mijn flits verlicht het hele kruispunt en de soldaten kijken verschrikt op. Ze overleggen even onder elkaar. Er rijdt plots een vrachtwagen voorbij, waarvan de hele laadbak vol zit met militairen. Instinctief hef ik mijn camera op, maar als ik de gelaatsuitdrukkingen zie van de soldaten achterin, beslis ik toch maar niet af te drukken. Eén militair op het kruispunt begint in mijn richting te beweging. Ik doe alsof ik hem niet gezien heb, en traag, maar toch nog snel genoeg, stap ik weg van het kruispunt. Dit was veel moeite voor één foto, waar eigenlijk niet zo veel op te zien is, maar no way dat die kerel hem gaat wissen. Dat lukt, want de soldaat draait zich alweer om, maar het heeft geen zin om hier nog te blijven.
Als ik terugwandel, twijfel ik om het nog eens langs een andere kant te proberen, maar waarschijnlijk zal het op alle wegen naar het parlement wel hetzelfde liedje zijn. De eerste taximoto die ik tegenkom, hou ik tegen, en ik laat me terugvoeren naar het hotel. Kao San Road is volledig leeg en alles is gesloten. Ik bel even naar huis om te zeggen dat alles in orde is, en kruip daarna eindelijk in mijn bedje.
20 september 2006
De situatie is rustig. Alle soldaten en alle tanks dragen gele lintjes, de kleur van koning Bhumibol, de vleesgeworden god voor alle Thai. Want geen enkele koning is zo geliefd als de Thaise. De militairen hebben de premier afgezet, en beloven weldra nieuwe verkiezingen. Ze hebben daarover al een onderhoud gehad met de koning, en die was blijkbaar akkoord. En als de koning akkoord is, dan is er voor de gewone Thai geen vuiltje aan de lucht. Verschillende mensen gaan zelfs bloemen geven aan de militairen, om hen te feliciteren.
Maar goed, dat geldt voor de Thai. Maar wat met de gemiddelde toerist? Die is er blijkbaar toch iets minder gerust op. De gesprekken op Kao San Road gaan dan ook maar over één ding. De Thai hebben dat goed begrepen. Van alle Oostaziatische landen heeft Thailand de beste en de meest stabiele economie, maar niettemin blijft Thailand heel afhankelijk van de toeristische dollars. Om te vermijden dat alle toeristen massaal het land zouden verlaten, en er ook geen andere meer zouden toekomen, worden er allerlei inspanningen gedaan. Zo moet vandaag bijvoorbeeld nergens belastingen op betaald worden, en is het openbaar vervoer volledig gratis gemaakt. Bovendien wordt er voor gezorgd dat alle toeristisch trekpleisters nog bereikbaar zijn, ondanks dat nog heel wat straten zijn afgezet, zeker in de buurt van het parlement.
Ik laat me voeren door een vandaag gratis taximoto tot aan een boeddhistische tempel. Iedereen wordt echter afgezet aan een wegblokkade. Enkel toeristen en boeddhistische monniken mogen hier passeren, om de tempel te bereiken. Alle anderen worden zonder pardon teruggestuurd. Voorbij de wegblokkade ligt een lange, brede laan, waar het op andere dagen krioelt van de auto’s, bussen, brommers en fietsers. Vandaag is het er rustiger dan de serene tempel die zich aan de linkerkant uitstrekt. In de verte is er wel nog een tank te zien, op het volgende kruispunt. De tempel is mooi, maar nu ook weer niet ongelooflijk spectaculair en terwijl ik er rondloop kan ik de situatie buiten de tempel niet van me af zetten. Vooral die volledig lege, lange, brede laan, blijft door mijn hoofd spelen.
Ik merk dat alle ingangen van de tuinen rond de tempel open staan. Dat is eigenlijk een beetje bizar, omdat je door de wegblokkades de tempel maar langs één kant kan bereiken. Als ik de tempel en de tuinen wel gezien heb, wandel ik langs de omheining naar de meest tegengestelde ingang dan die langs waar ik ben binnen gekomen, en steek voorzichtig mijn hoofd het hoekje om… Niks of niemand te zien. Enkel opnieuw die lange, lege laan, met langs rechts de wegversperring, enkele honderden meters ver ondertussen. Langs links daagt de tank op het volgende kruispunt me nu nog meer uit. Ik stap het voetpad op, en blijf nog even staan. Doordat het voetpad deels is afgeschermd door bomen, is de kans vrij klein dat ik word gezien van aan de wegblokkade. Ik wandel rustig verder naar links. Na opnieuw enkele honderden meters te hebben afgelegd, besluit ik vlug de straat over te steken. De tank op het kruispunt is ondertussen veel dichter bij dan de wegblokkade aan de tempel. Ik ben benieuwd wat er hier eigenlijk is, en met mijn camera in de aanslag, stap ik rustig verder.
Als ik bijna op de hoek ben, begint mijn nieuwsgierigheid wel heel hard de kop op te steken. Ik kan nog net niet zien wat er zich achter de hoek bevindt, maar heb al lang geen oog meer voor wat er zich langs mijn linkerkant afspeelt.
“HEY YOU!”…dat komt van links. Terwijl er langs mijn rechterkant nog net een muur in de weg staat, kan ik wel al het hele kruispunt overschouwen. En andersom, natuurlijk. Voor de tank zitten wat militairen neer op plastic stoeltjes, en staan er vooral ook een paar recht, met de mitrailleur in de aanslag. De man die op mij roept heeft een rode band rond zijn arm, waarop in witte letters “MP” staat. Hij herhaalt zijn kreet, terwijl hij naar mij wijst: “Hey you!” en gebaart dat ik moet maken dat ik voor zijn blokkade sta. Die bestaat uit niet meer dan wat rood-wit gestreepte kegels (en de tank, natuurlijk) maar ik kan me wel voorstellen dat het voor hem uitmaakt of ik vóór of áchter die kegeltjes sta.
“Maar ik kom van ginder” probeer ik nog even in het Engels, maar dat haalt niet zo veel uit. De man begint te vloeken in het Thai, dus ik wandelen maar al in de richting van de kegeltjes. Pas als ik dan toch het gebouw aan mijn rechterkant kan zien, besef ik eindelijk waar ik me bevind. Vlak voor het Thaise parlement! Terwijl ik verder wandel, hef ik mijn camera op, en richt hem naar het parlementaire gebouw. Ik hoor de soldaat echter nog harder beginnen vloeken, dus laat ik het toch er maar bij. Ik wandel zo ver mogelijk van de MP voorbij de blokkade en durf hem niet meer aan te kijken. Ik stap ineens verder langs opnieuw een lange, brede, en vooral lege laan.
Zo’n 20 meter verder bedenk ik me dan toch. Dit kan niet! Hier gestaan hebben en toch geen foto hebben getrokken, ik vergeef het mezelf nooit als ik ooit Alzheimer krijg. Ik draai me nog eens om en trek dan toch maar een foto. Of hij gelukt is, bekijk ik pas veel verder. Ik ben niet echt meer geneigd om ergens te blijven stilstaan. Het duurt lang eer ik aan de volgende blokkade kom, en het rare is dat ook op dit kruispunt, in alle vier de richtingen, alle straten volledig leeg en afgezet zijn. De mannen die de blokkade bewaken kijken maar raar als ik er voorbij kom geparadeerd, en zo gaat het nog een paar keer. Ik probeer opnieuw aan de tempel te geraken waar ik begonnen ben, omdat de taximoto die me er heeft afgezet, daar nog steeds op me staat te wachten. En sowieso zal ik een straat moeten bereiken waar wat verkeer is, wil ik nog terug in het hotel geraken.
Op die manier passeer ik nadien nog drie (3!) blokkades langs achter, eer ik opnieuw zit waar ik moet zitten. Geen wonder dat die MP en zijn mannen verschoten mij daar te zien. Normaalgezien had ik voorbij drie blokkades moeten geraken én die mannen zelf om te staan waar ik plots onbedoeld stond. Ik ben er eigenlijk nog goed vanaf gekomen. Ik besluit hier niet lang meer te blijven. Bangkok is sowieso toch niet mijn ding, en al dat revolutionair gedoe brengt me nog in de problemen. Eens terug in de bewoonde wereld, boek ik een bus naar Chiang Mai voor de volgende dag, om van daaruit de grens met Laos over te steken. ‘s avonds vier ik wel nog eerst mijn verjaardag op Kao San Road, onder het motto “If I can’t dance, I don’t wanna be part of your revolution!” Het levert me veel bekijks, nieuwe vrienden, en een kater van jewelste op.