De muur loopt vlak naast Betlehem. Naast het laatste huis torent ze meteen uit, en kronkelt ze als een slang langs de stad. De olijfgaarden van Betlehem liggen tactisch langs de andere kant van de muur, onbereikbaar voor de Palestijnse boeren.
Vanaan de geboortekerk van Jezus is het dichtbijzijnde checkpoint op wandelafstand. Om terug naar Jerusalem te keren, moet je hier onvermijdelijk door.
De straat stopt plots aan de muur. Vroeger liep de straat gewoon verder, maar tegenwoordig wordt de weg dus versperd door enkele kilootjes beton. Op deze plaats staan de taxi’s gegroepeerd te wachten op mensen die door het checkpoint komen. De muur is hier bijna overal ‘versierd’ met foto’s, teksten en schilderijen. Citaten over vrijheid, verzet en de Berlijnse muur werden hier en daar aangebracht. Maar het is vooral de muur zelf, symbool van discriminatie, rascisme en apartheid, die ons een beklemmend en opgesloten gevoel geeft.
Vanaan de straat zijn er twee ‘gangen’ gemaakt van hekken, langs de muur, waarboven bordjes hangen “Entry” en “Exit”. Door deze gang lopen naar het checkpoint is op zich al een onaangename ervaring. Maar het “niet weten waar je naartoe aan het wandelen bent” en wat er aan het einde van deze gang op ons wacht, maakt het ronduit angstaanjagend.
De gang loopt bergop, en bovenaan is er een kleine doorgang in de muur, waar het in hek gemaakte pad door loopt. Hier is een kleine openluchtruimte, waar een soldaat in een hokje zit, en waar je enkel buiten kan door een metaaldetector. De soldaat kijkt echter niet eens op naar ons, hij is druk aan het bellen. We lopen vlug door, en komen op een asfalt plein buiten. We kijken elkaar even verbaasd aan: Was dit nu alles?
We zijn de enigen die in de richting van het Israelische grondgebied wandelen. In de andere richting komen heel wat mensen uit een ander gebouw, waar opnieuw een groot bord met “Exit” hangt. We weten niet goed naar waar we moeten, en staan even rond te kijken. Dan valt ons oog op een even groot bord waar “Entry” op staat. Verdorie, het was dus nog niet alles.
Opnieuw ons afvragend wat er gaat komen, volgen we de richtingaanwijzers. Een balustrade maakt hier een kronkelende beweging, waarin ’s morgens de Palestijnen die willen gaan werken in Israel in lange rijen staan. Wij zijn nu alleen, en kunnen dus vlot door het draaihekje het gebouw binnen wandelen. Een lange gang loopt naar beneden, en maakt halverwege een bocht van 180 graden. Overal hangen camera’s, en als we bijna aan de bocht zijn, horen we tweemaal een soort ‘klikgeluid’. Ik besef niet onmiddellijk wat dit geluid is, tot Jelle zich luidop afvraagt “of we mooi op de foto zouden staan?” Ik vraag me af waarom ze van ons een foto nemen. Allicht niet om hem cadeau te doen aan het einde van het checkpoint.
Eens binnen in het gebouw, hebben we geen idee waar we naartoe moeten. Nergens hangen nog pijlen, en het Hebreeuws en Arabisch dat hier en daar hangt, kunnen we niet lezen. Ook hier hangen wel overal camera’s. We proberen enkele deuren in deze ruimte, maar de meeste zijn op slot. Een deur niet, maar vlak achter deze deur is alweer een andere. Jelle gaat binnen, maar ik blijf de eerste deur openhouden. Ik heb geen zin om hier opgesloten te geraken, en voel me helemaal niet op mijn gemak. De tweede deur blijkt inderdaad vast te zijn, dus kunnen we niks anders dan terug te keren op onze stappen. We staan wat rond te kijken in de ruimte waar we alle deuren al geprobeerd hebben, en hebben dus echt geen idee waar we nu naartoe moeten. Wetend dat we in het oog gehouden worden door de camera’s, begrijp ik niet waarom niemand ons instructies geeft. Enorm vreemd is het ook om in het gebouw ook andere deuren te horen open en dicht gaan, maar dat er blijkbaar nergens gesproken wordt.
Gelukkig komen er wat later toch twee Palestijnen binnen, die ook op weg zijn naar Jerusalem. Ook zij zijn eerst even verkeerd, maar vinden dan toch de juiste weg. We volgen hen, en ik voel me toch al iets meer op mijn gemak omdat we nu niet meer alleen zijn. Samen lopen we door enkele sluizen, en ik ben toch nog steeds oplettend om niet vast te geraken tussen twee gesloten deuren.
Na een heus parcours te hebben afgelegd, komen we opnieuw aan een metaaldetector. Het geeft een enorm vreemde indruk dat we in heel dit gebouw nog steeds geen enkele Israeli gezien of gehoord hebben, terwijl we wel constant in het oog worden gehouden. Zelfs aan de metaaldetector moeten we alles zelf doen. Routinematig leggen de twee Palestijnen voor ons zelf al hun spullen in een bakje om door een scanner te gaan, en stappen door de detector.
Wij doen maar het zelfde. Als ik door de detector stap, gaat het ding natuurlijk af. Ik kijk vertwijfeld om me heen, niet wetend wat ik nu moet doen. Voor de eerste keer klinkt er plots een stem door een microfoon. Ik versta echter niks van de Hebreeuwse instructies, en sta dus nog meer verbaasd rond me te kijken. De man brabbelt nog iets, maar ik versta er nog steeds niks van. Jelle doet me teken dat het in orde is, en maant me aan verder te gaan. Voor een keer piept een metaaldetector niet bij Jelle, en wel bij mij. Dat dat net hier moet gebeuren!
Opnieuw moeten we door enkele gangetjes en deuren. We zijn opnieuw enkel met ons twee, doordat we even zijn opgehouden aan de metaaldetector. Maar wat verder wandelen we opnieuw een grotere ruimte binnen, waar de twee Palestijnen aan een loketje staan te wachten. Pas hier zit opnieuw een soldaat. Het hele parcours is naar het schijnt ‘ontmenselijkt’ vanwege de regen van klachten die Palestijnen en internationale organisaties indienden tegen schendingen van mensenrechten aan checkpoints. Maar heel deze controle blijft toch een onaangename, zelfs vernederende gebeurtenis.
De soldaat in het loket is erg jong. Ik schat dat hij nog geen 20 jaar is. Een snotneus die hier elke dag arrogant de baas speelt over Palestijnse mannen en vrouwen. Op dit moment lijkt hij echter vrij zenuwachtig. Terwijl hij ook aan het bellen is, wil hij vooral dat ik zo snel mogelijk doorwandel. Hij neemt niet eens de moeite om naar mijn paspoort te kijken.
De uitgang blijkt onbegrijpelijk ook de ingang te zijn, en hier staan zo’n 20 Palestijnen in onze weg. Ze staan te discussieren met een soldate die de situatie duidelijk niet de baas kan. Ze komt uit haar loket en roept op de jonge soldaat die ons net heeft buitengelaten. Het was blijkbaar ook met haar dat hij aan het bellen was. Het jonge gastje komt aangelopen, en roept wat op de Palestijnen. Uit zijn gebaren is op te maken dat hij wil dat ze mooi in een rij gaan staan, wat meer geduld hebben, en vooral zo lastig niet moeten doen. De Palestijnen staan wild te zwaaien met de papieren die ze in hun handen hebben.
Ik wil echter vooral gewoon zo snel mogelijk buiten geraken, en wring me tussen de wachtende rij. Ik ben blij dat we eindelijk buiten zijn geraakt. Gelukkig voor ons is dit een eenmalige ervaring, en niet iets waar we dagelijks door moeten. Ik voel dan ook enorm mee met de Palestijnen die elke dag hun moed moeten samen rapen om deze vernedering te trotseren.
Groetjes,
Tineke